Beloved Garden
 
                                       
 
 
 
 
 
 
 
 Beloved Garden
 
 
 Hooglied 4:
 Zusje, bruid,
een besloten hof ben jij,
een gesloten tuin, 
een verzegelde bron.
Hooglied 4: 12 
 
                                  
@Beloved Daughter
 
 
 
 
Reacties (11)
 
 
 
 
 
Het Hooglied: een lied dat ons de liefde leert (Deel 1: De liefde is schitterend, want je geniet van elkaar)
 
Er is een tijd geweest, dat het boek Hooglied aan tafel niet openging. Vader of moeder sloeg het over. Niet geschikt om met elkaar te lezen. Persoonlijk dan wel? Dat advies kregen zelfs de oudere jongens en meisjes niet. Er werd helemaal niets over gezegd.
Waarschijnlijk waren de ouderen er wat verlegen mee. Wat haal je allemaal los? Ja, de liefde, dat was iets mysterieus. Een enorme kracht. Opeens is het er. En dan kun je er niet tegenop. Ook al zou je het willen. Ook al gebeuren er dingen, die je liever niet had gewild. Maar ze gebeuren wel. Tegen de liefde kun je niet vechten. En dus was het een onderwerp, dat vermeden werd. Soms was er een jongen of een meisje, dat zelf het Hooglied opzocht. Als vader of moeder het niet zag. Wat verboden is of verboden lijkt krijgt juist daardoor iets aantrekkelijks.

Dat laatste, dat een jongen of een meisje zelf het Hooglied gaat lezen: gebeurt het nog? De tijd is veranderd.
Vaak zie je in bushokjes en aan de kant van de weg grote billboards met een mooie, bijna blote vrouw erop. 'Bloot? Ach, helemaal bloot is het nooit. Valt toch wel wat mee! Reclame voor damesondergoed, voor een bikini. Die lui moeten hun spullen natuurlijk ook kwijt.'
We raken eraan gewend, aan die openheid. Ja, raken we er echt aan gewend?
En dan die bedscènes in een film op tv.
'Och, dat wordt toch gespeeld. Het is niet echt.' ' Nee, echt?'
In elk geval doen de meeste mensen niet meer geheimzinnig over seks. En dus zou Hooglied heel goed gelezen kunnen worden vandaag. Maar gebeurt het ook? En zo ja, hoe dan?
Er wordt over Hooglied wel eens gegniffeld. 'Zo ga je als jongen en meisje toch niet met elkaar om? Zo praat je toch niet tegen elkaar? Het is wel heel duidelijk een andere cultuur dan de onze.' Of iemand slaat het bewust over. De liefde in het Hooglied vindt hij veel te naïef. Zo naïef is hij niet en hij wil het ook niet worden.

Wij leven in een tijd van openheid. Maar kennelijk is die openheid niet objectief. Mensen hebben nog steeds hun oordelen. Of is het Hooglied misschien zelf eenzijdig? Is dat boek wel objectief?
Het Hooglied kreeg een plek in de bijbel. Alleen daardoor al heeft het iets unieks. De bijbel is het boek van God, zijn openbaring. Israël heeft ook het Hooglied een plaats gegeven tussen de heilige boeken. Onder de heilige boekrollen, die zorgvuldig werden bewaard in een vertrek van de tempel, was ook de boekrol van het Hooglied.
Toen het daar werd neergelegd, bestond de vergeestelijkende uitleg van het Hooglied nog niet. U of jij weet misschien wel wat dat is. Dat betekent, dat het in Hooglied niet om een jongen en een meisje gaat, maar om God en Israël.
Het Hooglied hoort bij de bijbel. God wil ons er dus iets mee zeggen, iets openbaren. Hij wil onze ogen openen voor iets wat we vaak niet zien. En dat is dat de liefde schitterend is.

Daar gaat het in deze preek over:

De liefde is schitterend, want je geniet van elkaar

 
 
Hooglied is een apart boek. Ook in de bijbel. Zoals in dit lied over de liefde gesproken wordt, gebeurt dat nergens anders in de Schrift.

Wel klinken er in verband met de liefde veel waarschuwingen. "Bedrieglijk is de bevalligheid en ijdel de schoonheid," zo zegt de moeder van Lemuël, koning van Massa, in Spreuken 31 tegen haar zoon. 'Pas op jongen, een vrouw kan je met haar schoonheid vangen. Maar als ze je heeft, kan ze je een heleboel kwaad doen. Zoek een vrouw, die de Here vreest.'
Schoonheid is niet alles. Wat heb je aan een mooie vrouw zonder verstand? Die schoonheid staat haar niet. Wat is nou een gouden ring in een varkenssnuit? Geen gezicht!
Schoonheid kan ook een valkuil worden. Je bent wat uitgekeken op je eigen vrouw. Je hebt inmiddels ook haar zwakheden leren kennen. Je ergert je daar soms aan. En dan is daar die ander. Heel vriendelijk, als je haar tegenkomt. Nog jong en knap. De Spreukendichter waarschuwt ervoor (Spreuken 15: 5). 'Drink water uit je eigen regenbak en welwater uit je eigen bornput.' 'Pas op man. Je speelt met vuur.'
Sóms lees je iets anders. De knecht van Abraham bewondert Rebekka. Zij is erg knap. Jakob valt op Rachel. Ze heeft een mooi figuur. Zeven jaren moet hij werken om haar te krijgen. Ze vliegen om. Hij doet het voor haar. Ook het omgekeerde gebeurt, dat een meisje verliefd wordt op een jongen. Michal, de dochter van Saul, is weg van David, die held, die Goliat overwon en in dienst kwam bij haar vader.
Maar het wordt allemaal sober verteld. Zo uitvoerig als in het Hooglied: dat kom je in de hele bijbel nergens tegen.
Geen wonder dat dit bijbelboekje vanaf de 2e eeuw na Christus regelmatig vergeestelijkt werd: God en Israël, Christus en de kerk. Maar binnen het bijbelboek zelf is daar geen enkele aanleiding toe.

Het Hooglied is uitvoerig. De jongen en het meisje hebben elkaar goed bekeken. Ze hebben daar de tijd voor genomen. En ze vinden elkaar mooi. 'Je bent mooi, mijn liefste. O, wat ben je mooi.' 'Mijn lieve jongen, je bent mooi. Je bent een schitterende vent.'
Ze passen ook de wonderlijkste vergelijkingen op elkaar toe. Zij doet hem denken aan een paard, een merrie dus.
Een merrie voor de sjees van de Farao. Een prachtdier uit de koninklijke stoeterijen. Kijk eens naar dat paardenhoofd. Naar de mooi versierde oogkleppen. Naar het kunstig bewerkte tuig om de paardenhals. Hij moet eraan denken, als hij haar ziet. Die mooie sieraden, die haar beide wangen zo goed accentueren en dan die snoeren om haar ranke hals.
Als hij haar een lelie noemt, noemt zij hem een appelboom. Een lelie in een groot distelveld. Dat valt op! Een appelboom tussen de bomen van het bos. Zo'n boom verwacht je daar niet. Maar opeens staat hij daar.
Je kunt er wat om lachen, om al die beelden. Wij zouden het zo niet zeggen. Maar het spel kennen wij wel. Het is er. Al zullen wij het niet in de openbaarheid brengen. Die lieve woordjes, die jij tegen je vriend of je vriendin zegt, daar heeft een ander niets mee nodig. Dat is privé. Zo open is de Nederlandse maatschappij nu ook weer niet.
Beelden uit het dierenleven gebruiken die jongen en dat meisje, uit de natuur. Maar ze delen elkaar ook verschillende rollen toe. De rol van de koning en de koningin, de vorstendochter, de rol van de herder, de herderin, de rol van de hovenier en de hovenierster. 'Mijn prins, mijn held, mijn ridder.' 'Mijn prinses, mijn boerinnetje.' Zo vreemd is het Hooglied toch ook weer niet?
Ze hebben elkaar goed bekeken. Ze namen de tijd voor elkaar. Niet voor niets speelt de liefde zich in een landelijke omgeving af. En wie kan vandaag de vakantieliefdes tellen?

Aandacht voor elkaar. Het komt er zovaak niet van. Waarom niet? Omdat we het zo druk hebben. Het leven is jachtig. Het stelt hoge eisen aan ons. Je wordt zomaar meegezogen.
Toch zijn er wel degelijk dingen waar wij tijd voor maken. Onze maatschappelijke carrière, de zo belangrijke sociale relaties voor positie en toekomst, de veel gewaardeerde algemene ontwikkeling: we krijgen het allemaal voor elkaar.
Zou het niet gewoon de zonde zijn, die de band tussen een jongen en een meisje, tussen een man en zijn vrouw soms zo los kan maken?
De zonde dreef een wig tussen de eerste man en de eerste vrouw. Wat was het goed! 'Tof', zo staat er in het Hebreeuws. Het werd het een puinhoop. Toen het erop aankwam, speelde hij haar de Zwarte Piet toe. Hij verried haar. Verraden, uitleveren. Een ander woord is er niet voor. Lijfsbehoud, eigenbelang, daar gaat het toch om? En vanaf dat moment ging en gaat het daar steeds om. 'Naar je man zal je begeerte uitgaan,' zegt God tegen haar. Als vrouw, als meisje, wil je hem hebben. hebben! En wat gebeurt er dan? 'Dan zal hij over je heersen,' zegt God. 'Dan hééft hij jou. Maar jij hebt hém niet.' Iemand die heerst, geeft zichzelf niet. De mens wordt tot een ding. In heel veel gevallen is dat de vrouw. Want de man is sterk.
Dan wordt zij zijn stuk. Maar de man kan ook een ding worden. Een lekker ding, weliswaar, maar een ding!
Zo ontstaat er een tegenover. Jij moet zien, dat je haar krijgt, haar versiert. Je moet zien, dat je haar houdt, dat een andere jongen haar niet van je afkaapt. En jij moet eraan werken, dat die jongen niet bij je wegloopt. Mannen zijn soms zo ontrouw. Ze gaan vreemd. Maak het hem naar de zin. Zorg ervoor, dat hij zich happy bij je voelt.
Het is heel gek. De jongen of het meisje waarop je verliefd bent, vormt tegelijk een bedreiging voor je. Je trekt elkaar aan. Je stoot elkaar ook af. En het is maar net, wat de overhand krijgt, of liever, wat de overhand behouden kan.

Een bedreiging. En als die ander een bedreiging voor je is, neem je niet goed meer waar. Zijn of haar karakter. De zwakke, maar ook de sterke kanten van die ander. Wat hij of zij meemaakt, wat zij of hij daarbij voelt. Je ziet het nauwelijks. Je weet het helemaal niet. Je weet natuurlijk dat de ander knap is of in elk geval iets moois heeft. Je bent niet voor niets op hem of op haar gevallen. Maar wat was dat ook nog maar weer? Nieuwe dingen heb je in ieder geval niet ontdekt. In feite ben je op één ding gefocused. Dat jij haar krijgt, dat jij hem houdt.
En als je haar helemaal kunt krijgen, dan laat je je die kans niet ontglippen. Je wordt ook voor gek verklaard, als je de kans van je leven voorbij laat gaan. Dan heb je haar. En de trouwdag... Trouwen is burgerlijk. Dan ben je je vrijheid kwijt, voor altijd gebonden. Je moet ook aan je eigenbelang denken, je eigen ontwikkeling, je jeugd, je maatschappelijke en sociale carrière.
Eigenbelang. Maar ben je daarvoor op aarde? Je bent hier als mens voor God. Je bent hier voor de ander. Heb God lief en de naaste.

De jongen en het meisje in het Hooglied genieten van elkaar.
Ze nemen elkaar waar. Ze kennen elkaar. Ze raken zelfs in vervoering. Is dat niet wat overdreven? We stuitten daar al op.
Maar wat is kennen? Is dat, dat je elkaar op een afstandelijke manier in kaart brengt? Dat doe je misschien met iemand die bij jou in dienst is of met iemand bij wie jij in dienst bent. Maar zelfs dan... Als je als mensen met elkaar omgaat, worden er diepere dimensies aangeboord. Er groeit iets, hoe summier ook. Als je van elkaar houdt, groeit er zeker iets. En dat iets, die liefde dus, daar word je beiden weer door gevormd. Daar wordt de ander anders van. Nóg meer anders. Uniek. Wat een wonder. Hoe dichter bij jou, hoe meer uniek.
Daar kunnen wij met onze simpele gedachten niet bij. Wij denken dan aan eenvormigheid. De ander komt dichterbij en dus zitten wij steeds meer op dezelfde lijn. Daar zit ook wel wat in. Maar het is niet het enige. Die ander blijft altijd een bijzonder schepsel van God. Jij en zij, jij en hij, je wordt nooit aan elkaar gelijk. Dat is ook het mooie van de liefde. Er is sprake van een twee-eenheid. Maar juist omdat je zo verschillend bent, voeg je aan elkaar iets toe, wordt het iets prachtigs.
'Twee kunnen niet tot één worden. Het blijft altijd twee. Of de één moet zich schikken naar de ander of de ander naar die ene.' Ja, zo denken wij. Maar de Schepper denkt er anders over.
En in het Hooglied wordt dat werkelijkheid. Zowel hij als zij komt volledig tot haar of zijn recht. Als we het boekje uit hebben, weten we wie hij is, maar ook wie zij is.

Het lijkt wel alsof we in het Hooglied in het paradijs zijn beland. Bestaat zoiets wel in deze wereld? Blijkbaar wel. Kennelijk kwam het in Israël voor.
Het zal geweest zijn in de tijd van koning Salomo. Dat was een tijd van hoogconjunctuur. Er waren veel contacten met andere volken, dichtbij en ver weg. Israël was rijk. Kostbare schatten werden ingevoerd. Goud, zilver, ivoor. Jeruzalem werd een prachtige stad. Maar ook Tirza, de stad die na de scheiding van het rijk de hoofdstad werd van het Tien-stammenrijk. Men wist ook veel van andere landen. Israëlitische kooplui kwamen regelmatig in het buurland Egypte. Daar zagen zij in de hoofdstad de Farao op zijn sjees, een schitterende merrie voor de kar. En in Israël kwamen kunstenaars: dichters, musici, spreukendichters, beeldhouwers en schilders.
Zo'n tijd is er daarna nooit meer geweest. Het is ook echt een tijd waarin het Hooglied past: een prachtig literair kunstwerk. Want dat is het.
Het zou zelfs nog wel kunnen, dat Salomo het heeft gemaakt. Er wordt van hem verteld, dat hij meer dan 1000 liederen heeft gedicht. De koning was kunstzinnig tot en met. Hij moet zich dan wel geïdentificeerd hebben met een ander. Want aan het einde van Hooglied, hoofdstuk 8: 11 en 12, neemt de dichter afstand van Salomo. 'Salomo', zo zegt hij, 'bezat een wijngaard te Baäl-Hamon. Hij gaf die wijngaard aan bewakers.'
Die wijngaard van Salomo was zijn harem en de bewakers waren zijn harembewakers. Zevenhonderd vrouwen had hij en driehonderd bijvrouwen. 'Nu', zo zegt de dichter, 'de duizend laat ik aan u, Salomo. Geef mij maar mijn liefste. Aan haar heb ik genoeg. Er is niemand zoals zij.'
Maar waarom kon Salomo zich niet inleven in wat èchte liefde was? Wellicht zag hij het aan zijn hof. Een jonge ambtenaar, vol van zijn vriendin. Zij is voor hem de enige. Hij zag ze wel eens samen. Dan werd hij jaloers. Wat hielden die twee van elkaar!
Dat was voor hem niet weggelegd. Als je koning bent van zo'n machtig rijk, dan ben je aan je stand een harem verplicht. Anders val je in de diplomatieke wereld van die tijd uit de toon. Misschien was Salomo zich zijn jaloezie niet eens bewust en kwam die, zijns ondanks, in het Hooglied tot uiting. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.
Het leven van Salomo heeft iets dubbels. Hij is een vrome koning. Hij krijgt, op eigen verzoek, een geweldige wijsheid en die wijsheid heeft alles te maken met de geboden van God. Hij wist ook wat echte liefde was. Maar het lukte hem niet om uit zijn tijd te stappen, om te breken met de zondige structuren van de diplomatieke wereld van zijn tijd.
Is dat misschien de zwakheid van het Oude Testament? Zien we hier de kracht van de zonde en de zwakheid van de wet? Als je de hele bijbel leest, zou je het haast zeggen. Er zit ook vast wel wat in. Maar laten we ons niet verkijken op de hardnekkigheid van zondige structuren vandaag. Die is vaak ook niet mis.

In het Hooglied is het alsof je in het paradijs bent.
Is dit bijbelboek wel reëel? Waarom niet? God kan ook nog wel wat. Als je dat gelooft, neemt het Hooglied je mee. Gód neemt je mee. Hij zet het gewoon voor ons neer, dat mooie lied. Dan haal je het niet in je hoofd om daar kritiek op te hebben. Als je ziet, dat een jongen en een meisje van elkaar houden, ontroert je dat.
De bijbel waarschuwt, als het om liefde gaat. Dat moet ook, want de liefde is kwetsbaar. Maar er is meer. Want echte liefde bestaat. En die is schitterend.
Dat geeft moed. Geef, als je getrouwd bent, aandacht aan elkaar. Het is niet voor niets. En als je verkering hebt: weet dan, dat je samen toeleeft naar iets prachtigs.
En als je niet getrouwd bent: ja, dat is niet altijd eenvoudig. Als er verdriet is, leg dat dan voor aan God. 'U hebt het zo mooi bedoeld. Waarom dan toch?' God weet alles. Hij zegt niet alles. Maar Hij steunt wel. God is ook veel meer waard dan man of vrouw!
Misschien ook is er een goede vriend of een goede vriendin. Dat is niet hetzelfde als wat in het Hooglied staat. Maar we zitten wel een eind in de goede richting. Je kunt ook als vrienden elkaar waarderen en je krijgt veel van elkaar. Geniet daarvan.
Ja, dat wil God, dat wij als mensen van elkaar genieten zullen. Er is hier niet alleen maar dreiging. Er is ook liefde. Er is zelfs huwelijksliefde. Een prachtig cadeau van God.
Ds. T.S. Huttenga
 
 












Lees meer...   (3 reacties)

 
 
 
 
 
Adonai Ahuvi (Lord, My Beloved)
by Sheli Myers


Hebrew/English lyrics:

Verse
Esh-poch lefa-ney-cha et li-bi,
Et li-bi
(Ve) O-deh befa-ney-cha
A-ha-va-ti, a-ha-va-ti,
Ki A-tah Adonai a-hu-vi

Chorus
A-tah, A-do-nai a-hu-vi,
A-tah, me-rim ro-shi,
A-tah, A-do-nai a-hu-vi
Ki-A-tah A-do-nai,
Ki A-tah A-do-nai a-hu-vi

Verse
I lay my heart before You oh Lord, Adonai
I give me love to You oh Lord, Adonai
For You are the Lord of my heart

Chorus
O Lord, you are my Beloved
O Lord, You're the Lifter of my head
O Lord, You are my Beloved
For You are the Lord,
You are the Lord,
For You are the Lord of my Heart

Bridge
Rak A-tah, ein a-cher,
Rak A-tah, lo, ein a-cher,
A-tah Adonai Ma-gen- ba-adi
K'vodi u-ma-rim ro-shi
rak A-tah, rak A-tah

Chorus

Lees meer...

A Time For Being Shut Away

“A garden enclosed is My sister, My spouse; a spring shut up, a fountain sealed.” Song of Solomon 4:12

Her first testimony had been:

“My Beloved is mine, and I am His: He feeds among the lilies.” Song of Solomon 2:16

Her only concern was to know where the Lord was, and that He would respond if she needed Him. The Lord accepted this, and allowed the Bride to have all of the things she had desired. At the same time, He began to draw her to Himself by causing her to notice His interest in her.

“Behold, He stands behind our wall, He looks forth at the windows, showing Himself through the lattice.” Song of Solomon 2:9b

As she noticed that the Lord was looking through the window toward her, longing to be invited into the “room” of her spirit, there arose within her a deep inner stirring toward Him. She began to intently desire “Him,” rather than all the “things” she had been seeking.

He (Jesus) acknowledged her “single eye,” which was beginning to look toward Him alone, and in a penetrating expression of love, He said to her, “O My Dove” (Song of Solomon 2:14a). Because of her “single eye” (she now desires Him, rather than the things He can give), He can begin to inwardly change her into the Bride that He desired her to be.
 

In the first confession of her spiritual condition, she said:

“My mother’s children were angry with me; they made me the keeper of the vineyards; but my own vineyard have I not kept.” Song of Solomon 1:6b

She had been a very dedicated worker “for” the Lord. Even in the heat of the day, while others rested, she worked until she became burned by the sun, (I am black, but comely). During this time, she did not personally know the Lord; neither did she know His voice nor His leadings. She did only as others told her to do (They made me the keeper of the vineyard).

She had been so faithful in doing all that was required of her, that her own vineyard was being neglected. This neglected vineyard speaks of the “ground” upon which the Lord works in order to change us. This “ground” speaks of our life being consecrated to the Lord. It encompasses all the people and the circumstances, which the Lord uses to bring about our spiritual development and growth.

“For we are His workmanship, created in Christ Jesus to good works, which God has before ordained that we should walk in them.” Ephesians 2:10

It is encouraging to know that the Lord will come to meet us, even in the place of neglect, when we confess our need to Him. It becomes “good ground” when we place the Lord in full control of all that pertains to us, and invite Him to come within the “room” (a set apart place) where we meet with Him, and He with us.

“But other fell into good ground, and brought forth fruit, some a hundredfold, some sixtyfold, some thirtyfold. Who has ears to hear, let him hear.” Matthew 13:8-9

This “good ground” is “quality time” that we have set apart to meet with the Lord for intimate fellowship with Him. Also, it is very important that we have a special “place” (closet) that we have sanctified and set apart for our times of fellowship with the Lord.

“But you, when you pray, enter into your closet, and when you have shut your door, pray to your Father which is in secret; and your Father which sees in secret shall reward you openly.” Matthew 6:6

Along with this “set apart” time and place for intimate communion with the Lord, we should make the total area of our “life experience” to be as an “open door” for Him to enter. We can do this by keeping the “poise” of our spirit upward toward the Lord, no matter where we are, or what we are doing. It is this that encourages and releases the Lord to become active in making of us the Bride that He desires.

“Let the Bridegroom go forth of His chamber, and the Bride out of her closet.” Joel 2:16b

The Lord will always use us to minister to, and meet the needs of others. However, our times of communion “with” Him are more important to Him than anything that we could do “for” Him. He is to have the first place in our lives.

“Come, My beloved, let us go forth into the field; let us lodge in the villages. Let us get up early to the vineyards; let us see if the vine flourish, whether the tender grape appear, and the pomegranates bud forth: there will I give you My loves.” Song of Solomon 7:11-12

Notice that we are to “come” before we “go” forth in ministry. Our ministry will be much more effective and productive when it is the result of, and flows out from, our times of communion with the Lord. Our spending time with the Lord will greatly affect our relationship to Him, and to others.

Many servants of the Lord, who fail or get into serious problems, do so because of negligence at this very point. They work so hard for the Lord that they become spiritually weakened and succumb to temptation, or to side issues that take them from the center of the Lord’s will and purpose for their lives. This happened to the Bride. Thus, she confessed her failure, “My mother’s children were angry with me.”

It is very important that we maintain quality times of worship, prayer, waiting upon the Lord, and devotionally reading the Word. She had neglected her own spiritual development and growth, along with her times of intimate communion “with” the Lord, through being busy working diligently “for” Him. We must keep in mind that our ability to impart spiritual substance and life to others, results from that which we have first received.

We are called to work “with” the Lord, rather than “for” Him.

“And He goes up into a mountain, and calls to Him whom He would: and they came to Him. And He ordained twelve, that they should be with Him, and that He might send them forth to preach, And to have power to heal sicknesses, and to cast out devils.” Mark 3:13-15

I learned a principle many years ago that greatly affected my life. “If we build God a house of devotion, He will build us a house of ministry.”

If we are faithful in our part, which is “being with Him;” then He will be faithful in His part, “to send us forth.”

“That I may cause those that love Me to inherit substance; and I will fill their treasures.” Proverbs 8:21

This “substance” is the very nature and life of God imparted into our lives, so it can be given to others. We cannot give what we do not have.

The Bride had asked the Lord to “Stay me with flagons, comfort me with apples” (Song of Solomon 2:5a). In response to her desire, He brought her to the banqueting table, and blessed her so abundantly with all she wanted, that she became filled beyond the capacity that she had at that time.

“For I am sick of love.” Song of Solomon 2:5b

Lees meer...
 
 
 
 
 
 
 
Hoofdstuk 1
 
Hooglied, van Salomo.

Zij

2 Laat hij mij kussen,
laat zijn mond mij kussen!
Jouw liefde is zoeter dan wijn,
3 zoet is de geur van je huid,
je naam is een kostbaar parfum.
Daarom houden de meisjes van jou.
4 Neem mij met je mee. Laten we rennen!
Mijn koning brengt mij in zijn kamers.
Laten we juichen en zingen om jou!
Laten we jouw liefde prijzen,
meer nog dan wijn.
Natuurlijk houden de meisjes van jou!
5 Meisjes van Jeruzalem,
donker ben ik, en mooi,
als de tenten van Kedar,
als het doek van Salomo’s tenten.
6 Kijk niet op mij neer omdat ik donker ben,
omdat de zon mij heeft gebrand.
Mijn moeders zonen waren hard voor mij:
ik moest hun wijngaarden bewaken.
Mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt.
7 Zeg mij toch, mijn allerliefste,
waar laat jij je kudde weiden,
waar laat jij die ’s middags rusten?
Laat me toch niet dwalend*
langs de kudden van je vrienden gaan.

Hij

8 Als je mij niet vinden kunt,
mooiste van alle vrouwen,
volg dan het spoor van de kudde,
weid je geiten waar de herders schuilen.
9 Vriendin van mij,
met een merrie voor farao’s wagen
vergelijk ik jou!
10 Hoe lieflijk zijn je wangen en je ringen,
hoe sierlijk zijn je hals en je ketting.
11 Laten we een gouden sieraad voor je maken,
bezaaid met zilveren stipjes.

Zij

12 Nu mijn koning op zijn rustbed ligt,
geurt mijn nardus zoet.
13 Mijn lief is mij een bundel mirre,
hij slaapt tussen mijn borsten.
14 Mijn lief is mij een hennatros
in de wijngaarden van Engedi.

Hij

15 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
je bent zo mooi!
Je ogen zijn duiven.

Zij

16 Wat ben je mooi, mijn lief,
wat ben je bekoorlijk.
Het groen is ons bed,
17 de balken van ons huis zijn ceders,
de binten zijn cipressen.
 
 
 
 
Lees meer...
 
 
 
 
 
 
Hoofdstuk 2
 
Ik ben een lelie van de Saron,
een wilde lelie in het dal.

Hij

2 Als een lelie tussen de distels,
zo is mijn vriendin tussen de meisjes.

Zij

3 Als een appelboom tussen de bomen van het bos,
zo is mijn lief tussen de jongens.
Ik verlang in zijn schaduw te zitten,
met mijn tong wil ik zijn zoete vruchten proeven.
4 Hij brengt mij in het wijnhuis,
boven mij zijn vaandel van liefde.
5 Verkwik me met rozijnen,
verfris me met appels,
want ik ben ziek van liefde.
6 Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
7 Meisjes van Jeruzalem,
ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.

Zij

8 Hoor! Mijn lief!
Kijk! Hij komt,
springend over de bergen,
dansend over de heuvels.
9 Als een gazelle is mijn lief,
als het jong van een hert.
Kijk! Hij staat al bij de muur.
Hij blikt door het venster,
tuurt door de spijlen.
10 Mijn lief roept mij toe:
‘Sta op, vriendin!
Mooi meisje, kom!
11 Kijk! De winter is voorbij,
voorbij zijn de regens, weggegaan.
12 De bloemen zijn verschenen op het veld,
nu breekt de zangtijd aan,
het koeren van de duif klinkt op het land.
13 De vijgenboom is al vol vruchten,
de wijnstok rankt en geurt.
Sta op, vriendin,
Mooi meisje, kom!
14 Mijn duif in de rotskloof,
verscholen in de bergwand,
laat mij je gezicht zien,
laat mij luisteren naar je stem,
want je stem is zo lieflijk,
je gezicht zo bekoorlijk. ’

Hij en zij

15 Vang voor ons de vossen,
vang die kleine vossen.
Ze vernielen de wijngaard,
onze wijngaard vol bloeiende ranken.

Zij

16 Mijn lief is van mij,
en ik ben van hem.
Hij weidt tussen de lelies.
17 Nu de dag weer ademt
en het duister vlucht –
ga nu weg, mijn lief.
Spring als een gazelle,
als het jong van een hert
over de geurige bergen.
 
 
 
 
 
Lees meer...
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
’s Nachts in mijn slaap zoek ik mijn lief.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.
2 Laat ik opstaan, rondgaan in de stad,
laat ik in de straten, op de pleinen,
zoeken naar mijn allerliefste.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.
3 De wachters vinden mij
op hun ronde door de stad.
‘Hebben jullie mijn lief ook gezien?’
4 Nog maar nauwelijks ben ik hun voorbij
of ik vind mijn lief.
Ik grijp hem vast en laat hem niet meer los
tot ik hem gebracht heb in mijn moeders huis,
in de kamer van haar die mij baarde.
5 Meisjes van Jeruzalem,
ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.

Meisjes

6 Wie is zij,
die daar komt uit de woestijn
als een zuil van rook,
in een wolk van wierook en mirre,
in een geur van kostbare kruiden?
7 Kijk! Salomo’s draagstoel,
omringd door zestig helden
uit de keurtroepen van Israël,
8 allen met de hand op het zwaard,
geoefend in de strijd,
ieder met het zwaard op de heup,
bedacht op nachtelijk gevaar.
9 Een draagkoets maakte koning Salomo,
een koets van cederhout.
10 De stijlen zijn van zilver,
het baldakijn van goud,
de zetel is van purper.
Hij is versierd met tekens van liefde
door de meisjes van Jeruzalem.
11 Kom kijken, meisjes van Sion,
kijk naar koning Salomo!
Kijk! De kroon waarmee zijn moeder hem tooide
op zijn bruiloftsdag,
de dag die zijn hart zo verblijdt.
 
 
 
 
Lees meer...
 
 
 
 
Hoofdstuk 4
 
Je bent zo mooi, vriendin van mij,
je bent zo mooi!
Je ogen zijn duiven,
door je sluier heen.
Je haar golft als een kudde geiten
die afdaalt van Gileads bergen.
2 Je tanden zijn als witte schapen:
klaar voor de scheerder
komen ze twee aan twee uit het water,
er ontbreekt er niet een.
3 Als een koord van karmozijn zijn je lippen,
je mond is betoverend.
Als het rood van een granaatappel
fonkelt je lach,
door je sluier heen.
4 Je hals is als de toren van David,
die in ringen is gebouwd,
die met schilden is behangen,
met wel duizend schilden van helden.
5 Je borsten zijn als kalfjes,
als de tweeling van een gazelle,
die tussen de lelies weidt.
6 Nu de dag weer ademt
en het duister vlucht,
ga ik naar de mirreberg,
ga ik naar de wierookheuvel.
7 Vriendin, aan jou is alles mooi,
niets ontsiert je schoonheid.
8 Mijn bruid, ga met me mee,
kom mee, weg van de Libanon.
Daal af van de top van de Amana,
de top van de Senir, de Hermon.
Weg van de bergen waar leeuwen huizen,
weg van de holen waar panters schuilen.
9 Zusje, bruid van mij,
je brengt me in vervoering,
je brengt me in verrukking
met maar één blik van je ogen,
met één flonker van je ketting.
10 Zusje, bruid van mij,
hoe heerlijk is jouw liefde,
hoeveel zoeter nog dan wijn.
Hoeveel zoeter is je geur
dan alle balsems die er zijn.
11 Mijn bruid, je lippen druipen van honing,
melk en honing proef ik onder je tong,
je kleed geurt naar de Libanon.
12 Zusje, bruid,
een besloten hof ben jij,
een gesloten tuin,*
een verzegelde bron.
13 Aan jou ontspruit een boomgaard vol granaatappels,
met een overvloed aan vruchten,
hennabloemen, nardusplanten,
14 nardus en saffraan, kalmoes en kaneel,
wierookbomen, allerlei soorten,
mirre, aloë,
balsems, allerfijnst.
15 Je bent een bron omringd door tuinen,
een put met helder water,
een bergbeek van de Libanon.

Zij

16 Ontwaak, noordenwind! Kom, zuidenwind!
Waai door mijn hof,
laat zijn balsems geuren.
Mijn lief moet in zijn hof komen,
laat hij daar zijn zoete vruchten proeven.
 
 
 
 
Lees meer...
Beloved Garden!
 
 
  
 
 
 
 
  
 
 
 
Link naar:
 
 
 
 
 
 

Beloved Garden

is een prachtige tuin

waar het heerlijk vertoeven is,

met kleurrijke

en welriekende bloemen

en het betoverende gezang

van vrolijke vogels.

 

 

 

  
 
  
Beloved Garden:
 
Een plaats om tot rust te komen.
Een plaats om tot jezelf te komen.
Een plaats om je eens even lekker terug te trekken
en bij te tanken.
En dat doe ik in mijn Beloved Garden
in mijn geliefde tuin.
Heerlijk genieten.
En dat doe je het beste met het Woord van God.
Het boek Hooglied leek mij het beste passend
in mijn Beloved Garden.
 
@Beloved Daughter
 
 
  
 
  
 
  
  
  
    
 
 
 
Meer van Beloved Daughter:

    Afgesloten Hof

    Beautiful Place

    Beloved Court

    Beloved Daughter

    Beloved Garden

    Beloved Place

    Beloved Woman

    Bride of Christ

    Daughter of Christ

    Deserted Place

    Desolate Place

    God's garden

    Holy Place

    Hooglied

    Lonely PLace

    Lovely Garden

    Oase

    Resting Place

    Rose of Love

    Rose of Sharon

    Prince of Peace

    Schuilgrot

    Tuin van God

    Vreugdebron

    Vredevorst

  

 

 

Laatste reacties
    Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl